OTTO in de Media

25 mrt 2021
Frank van Gool   Flexmarkt 24032021Artboard 2

FLEXMARKT: “Ik ben een boef”

Categorie: Blog

Als bekend boegbeeld van bemiddelaars in arbeidsmigranten moest Frank van Gool (OTTO Work Force) het in de aanloop naar de verkiezingen ontgelden. Nu de verkiezingen voorbij zijn en de retoriek voor even verstomd is, reageert Van Gool in zijn column voor Flexmarkt.

fotografie Renier Linders

 

‘Verschillende linkse partijen probeerden voor de verkiezingen hun afkalvende achterban te bereiken met stevige stellingnames. En soms ging dat met grof geschut. Zo richtten enkele Kamerleden van SP en PvdA hun pijlen op de werkgevers van arbeidsmigranten. Je zou dat politiek prijsschieten kunnen noemen, want er is nog veel mis op dat gebied in ons land en misstanden moet je keihard aan de kaak stellen. Maar in verkiezingstijd nemen politici de feiten soms net wat minder nauw en wordt een hele branche over een kam geschoren. Enkele PvdA-politici openden de aanval op ons bedrijf en op mij persoonlijk met enkele stevige beschuldigingen. Onder andere in Flexmarkt werd over deze onzinnige aanvallen bericht. Een SP-Kamerlid maakte het tijdens een lokale online talkshow helemaal bont met zijn stelling dat alle werkgevers van arbeidsmigranten boeven zijn. Ze houden volgens deze SP-er een feodaal systeem in stand waar onderbetaling en slechte huisvesting aan de orde van de dag zijn. Jumbo, Randstad, OTTO, allemaal boeven, aldus de geachte afgevaardigde.

Natuurlijk heb ik de betreffende politici meteen proberen te contacten. Niet om mijn beklag te doen over dit soort ongenuanceerde uithalen en niet om aan te tonen dat wij het wel goed doen. Ik belde hen om een coalitie te smeden. Er bindt ons namelijk meer dan dat ons scheidt. Iedereen die strijd voor betere omstandigheden woon- en werkomstandigheden voor arbeidsmigranten staat aan dezelfde kant. Vakbonden, politieke partijen, brancheorganisaties en werkgevers. Natuurlijk gaat er weleens iets fout, ook bij ons, maar dat doet niets af aan de grote maatschappelijke opdracht die wij als samenleving hebben om de komende tijd echt vaart te maken met structurele verbeteringen.

Iedereen die strijd voor betere omstandigheden woon- en werkomstandigheden voor arbeidsmigranten staat aan dezelfde kant.

Ik word daarin gesteund door de recente uitkomst van het eerste grootschalig onderzoek onder arbeidsmigranten in ons land. Er wordt, naar mijn idee, wel veel over arbeidsmigranten gesproken, maar niet of nauwelijks met arbeidsmigranten. Het Kenniscentrum Arbeidsmigranten heeft een onderzoek gedaan onder meer dan 1600 arbeidsmigranten. Met een paar opvallende uitkomsten; 40% van de arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa is ontevreden over hun woonsituatie en 60% wil graag verhuizen. Het overgrote deel van de arbeidsmigranten werkt onder hun opleidingsniveau, dus we laten een enorm potentieel onbenut. Zeker als je bedenkt dat meer dan de helft in ons land wil blijven en graag meer contact met de buren wil. Ik ben er ten diepste van overtuigd dat wij als samenleving enorme kansen laten liggen zolang we de positie van arbeidsmigranten niet structureel verbeteren.

Tot die tijd blijft het begrip arbeidsmigratie synoniem met problemen en is iedere werkgever een boef. Die hardnekkige beeldvorming zit onze kijk op arbeidsmigranten in de weg.

Ik droom van een samenleving die arbeidsmigranten waardeert vanwege het feit dat ze huis en haard verlaten om in ons land te komen werken. En van een samenleving die deze waardering vertaalt in correcte beloning, goede huisvesting en gelijkwaardige bejegening. Daar strijd ik voor, schouder aan schouder, met iedereen van goede wil.’